Taalgebruik in het Hoger Onderwijs

Situering

Op 16 juli 2010 besliste de Vlaamse regering de wetgeving i.v.m. het taalgebruik in het Hoger Onderwijs (universiteiten en hogescholen) te versoepelen. Met het oog op de internationalisering van dit H.O. zal het Engels een ruimere plaats toebedeeld krijgen: een bacheloropleiding kan haar aanbod tot één derde in het Engels verzorgen, en het aandeel van het Engels kan oplopen tot 50 % in de aansluitende master. Bij ‘speerpunt’ masters (het voorbeeld van materiaalkunde wordt gegeven) en excellentiecentra – waar hoogwaardig onderzoek op internationaal niveau wordt verricht - moet dat tot 100% kunnen oplopen. De vroegere voorwaarde, nl. dat deze opleiding binnen dezelfde instelling of provincie ook in het Nederlands moet worden aangeboden, wordt nu versoepeld tot een verplicht aanbod binnen Vlaanderen.

De Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde (KANTL) heeft van de overheid de zorg voor het Nederlands en de studie van de Nederlandse taal en cultuur als opdracht gekregen. Zij wil garanties dat de wetgeving het Nederlands in alle domeinen van de samenleving beschermt.

1. Het Engels als lingua franca

Het Engels is al een aantal decennia de meest gebruikelijke taal om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek te presenteren. Het speelt hier tot op zekere hoogte de rol die het Latijn in vroeger tijden speelde, met het belangrijke verschil dat het Engels als levende taal ook in veel andere maatschappelijke domeinen opduikt (bedrijfsleven, scheepvaart, luchtverkeer, jongerencultuur), wat een veel bredere toegankelijkheid waarborgt. Dit betekent echter niet dat de rol van andere wereldtalen als Frans, Duits, Spaans zou zijn uitgespeeld, met name waar het de menswetenschappen  betreft. Juist het feit dat de resultaten van wetenschappelijk onderzoek in verschillende talen worden gepubliceerd, draagt ertoe bij dat de diversiteit van waardevolle onderzoekstradities gehandhaafd blijft.

De elementen voor de discussie liggen anders als het gaat over het Engels als instructietaal in het Hoger Onderwijs in niet-Angelsakische landen. Binnen de EU hebben die landen met de Bolognahervorming hun opleidingen op Angelsaksische leest geschoeid, met de invoering van de graden bachelors en masters. In het officiële discours hierover wordt de nadruk gelegd op de bevordering van de internationale herkenbaarheid en wederzijdse erkenning van diploma's, maar op de achtergrond speelt zeker de opvatting mee dat het hoger onderwijs een markt is, waarop de diverse instellingen met elkaar de concurrentie aangaan om het grootste aantal (buitenlandse) studenten.

Het aanbod van Engelstalig hoger onderwijs wordt dan een belangrijk element in de zogenaamde 'strijd om het talent', waarbij men de brain drain die de voorbije decennia eenzijdig richting Amerika ging, weer in Europese richting probeert om te buigen.  

Wat men hierbij echter niet uit het oog mag verliezen, is dat het Europese model van hoger onderwijs maatschappelijk anders is ingebed dan het Angelsaksische, en grotendeels bekostigd wordt uit overheidsmiddelen. In de continentaal-Europese visie wordt Hoger Onderwijs niet louter gezien als een economische factor, maar ook als een emancipatie-instrument: men acht het van groot belang dat alle lagen van de bevolking er toegang toe hebben, en dat er geen financiële drempels worden ingebouwd die bepaalde sociale groepen buiten de deur houden. Aangezien overheidsmiddelen voortkomen uit belastingen die door alle burgers naar hun draagkracht worden opgebracht, is het dan ook de legitieme verwachting van die burgers dat hun kinderen ook hoger onderwijs kunnen genieten in hun eigen taal.

Overdracht van kennis is een onderneming die van alle betrokkenen een grote intellectuele inspanning vergt. Het inbouwen van extra linguïstische drempels kan dit proces bemoeilijken en zelfs hypothekeren. Als zowel docenten als studenten moeten overschakelen op een andere taal dan hun moedertaal (waarbij de kwaliteit van dat Engels nog buiten beschouwing blijft), dan levert dat een substantieel kwaliteitsverlies  op (onderzoek aan de Technische Universiteit Delft spreekt van 15% kwaliteitsverlies zowel aan de kant van de docent als van de student).  Deze omstandigheid moet een argument zijn voor de beleidsmakers om zich heel restrictief op te stellen waar het om verengelsing van de onderwijstaal gaat.

2. Erosie van de moedertaal

Het commissierapport dat door het Vlaams parlement en de Vlaamse regering als uitgangspunt werd genomen, stelt dat internationalisering "er niet toe (mag) leiden dat de rol van het Nederlands als academische taal erodeert." Voor de bruikbaarheid en het prestige van een taal is het inderdaad van primordiaal belang dat zij alle functies bestrijkt waaronder ook de hogere van wetenschap, onderzoek en hoger onderwijs. De verwijzing naar erosie van het Nederlands heeft te maken met het gevaar van functieverlies, en daarmee gepaard gaand prestigeverlies van een taal. Het valt ook moeilijk uit te leggen dat een taalbeleid enerzijds het Nederlands uit een aantal functiedomeinen aan de top zou verjagen, maar tegelijk aan de basis kennis van het Nederlands zou opleggen aan immigranten als noodzakelijke voorwaarde voor hun integratie. Niemand heeft er belang bij dat de topwetenschap wordt opgesloten in een soort van linguïstische 'gated community', een nieuw mandarijnendom. Deze variant op de vroegere 'ivoren toren', met een linguïstische scheiding tussen de hooggespecialiseerden aan de ene kant en het brede maatschappelijke veld aan de andere, is het laatste wat een echte kennismaatschappij kan gebruiken. Een rapport uit 2003 van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen over taalgebruik in het H.O. wijst reeds op het gevaar van een taalbarrière tussen wetenschappers enerzijds en technici, leraars, hulpverleners anderzijds.

3. Een charter voor de moedertaal

In de beslissing van de Vlaamse regering worden voor de verengelsing becijferbare doelstellingen geformuleerd (een derde Engels in de bachelor, de helft of 100% in de master, althans bij welbepaalde opleidingen), de moedertaalbescherming moet gegarandeerd worden door de verplichting van de ene Nederlandstalige opleiding in Vlaanderen. Wil men echter de erosie van het Nederlands tegengaan en de taal vrijwaren over het volledige spectrum van functies, dan is het wenselijk ook aan deze doelstellingen bindende afspraken te verbinden. Er zijn concrete stimulansen nodig voor de gewenste doorstroming van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar de samenleving in brede zin. Een soort van 'moedertaalcharter' dat een garantie inhoudt voor een optimale functionele dekking van het Nederlands, zou heel wat weerstand kunnen wegnemen tegen verengelsing waar dat om redenen van specialisatie en rationele aanwending van de middelen wenselijk is.

  • (i) Men kan de realisatie van wetenschappelijke output in de moedertaal bevorderen door in het carrièreverloop van wetenschappers ook maatschappelijk gerichte wetenschappelijke activiteit een zwaarder gewicht te geven, d.w.z. publicaties en lezingen die erop gericht zijn het kennisdomein in eigen land bekender te maken. Nu geldt publicatie in A1-tijdschriften (tijdschriften met de hoogste internationale ranking, overwegend Engelstalig) als meest zwaarwegende argument bij aanstelling en bevordering van academisch personeel, terwijl artikels en boekpublicaties in de eigen taal veel minder gewicht in de schaal werpen, met een feitelijke degradatie van die eigen taal tot gevolg. Dat perverse effect kan tegengegaan worden door in de financiering van universiteiten naast de wetenschappelijke (A1, A2, B1, …) ook een maatschappelijke of M-index te laten meetellen, waarbij de 'M' ook kan staan voor 'moedertaal'. Naast (kennis)economisch belang moet m.a.w. ook maatschappelijk belang als volwaardige factor meegenomen worden bij het beoordelen van projecten. Excellentie wordt op die manier ook verankerd en gepropageerd in de eigen gemeenschap.
  • (ii) Gegarandeerd moet blijven dat voor iedere discipline, hoe gespecialiseerd ook, handboeken en terminologie in het Nederlands ontwikkeld worden.
  • (iii) In het wetenschapsbeleid moet onderzoek naar aspecten van de eigen gemeenschap (sociologisch, historisch, taalkundig, cultureel enz.) los gemaakt worden van de eis van het Engels als publicatietaal. De disseminatie van dit onderzoek gebeurt in de eerste plaats in de richting van de belanghebbenden, wat concreet inhoudt dat die in belangrijke mate in het Nederlands gesteld zijn. Dat moet uiteraard gepaard met aangepaste rapportering voor het internationale publiek, en daar is punt (iv) van belang.
  • (iv) Een krachtig vertaalbeleid m.b.t. hoogstaand Nederlandstalig academisch werk (met name in de alfa- en gammawetenschappen) kan internationale verspreiding ondersteunen. Omgekeerd kan vertaling van Engelstalig werk met een hoge maatschappelijke impact in de bètawetenschappen, de resultaten van onderzoek breder ter beschikking stellen van de financierders ervan, het maatschappelijke veld in Vlaanderen. Het vertaalbeleid zou een hoge rendementswinst kunnen opleveren zowel in de richting van internationalisering bij die disciplines die meer gericht zijn op en verbonden met de eigen taal en cultuur, als in de richting van nationale verankering voor disciplines die van zichzelf internationaal georiënteerd zijn.  Dat 'nationale' vertaalbeleid heeft uiteraard alle belang bij samenwerking met Nederland, bij voorkeur via de Nederlandse Taalunie.

Tot slot

De KANTL staat achter de inspanningen van overheid en universiteiten om kwaliteit en internationale uitstraling van de wetenschap in Vlaanderen te bevorderen. Zij vraagt tegelijk om mensen en middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten voor de gewenste maatschappelijke verankering van wetenschap en onderzoek, waarbij de taal van zijn burgers de rol speelt waar die burgers recht op hebben.

Oktober 2010

 

Download dit standpunt als pdf.

Lees ook het "Pleidooi voor sterke positie van het Nederlands in het hoger onderwijs" in Taalunie:Bericht van 5 januari 2017.