Decreet

Decreet

Decreet van 13 februari 1980 betreffende de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:

Artikel 1. - Er is een Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, hierna de Academie genoemd.

De Academie wordt met de rechtspersoonlijkheid bekleed.

De Koning bepaalt, na advies van de Academie, waar haar zetel is gevestigd.

Art. 2. - De werkzaamheid van de Academie omvat de studie, de beoefening en de bevordering van de Nederlandse taal- en letterkunde.

De Academie is:

een raadgevend lichaam voor de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap alsmede voor de regering op het gebied van de Nederlandse taal- en letterkunde;
een trefpunt van samenwerking voor beoefenaars van de Nederlandse taal- en letterkunde;
een band tussen haar leden en de literatoren en taalkundigen uit andere cultuurgemeenschappen en uit andere landen;
een instelling tot bevordering van de onderzoekingen en ondernemingen op haar gebied, die slechts door samenwerking zijn tot stand te brengen, en die wegens hun omvang, duur en hoge kosten, de mogelijkheden of middelen van één persoon of van één instelling te boven gaan.

Art. 3. - De Academie bestaat uit:

dertig gewone leden;
binnenlandse ereleden in onbepaald aantal;
ten hoogste vijfentwintig buitenlandse ereleden;
ten hoogste vijf buitengewone leden.

Tot gewoon lid zijn benoembaar personen die behoren tot de Nederlandse Cultuurgemeenschap in België, tot buitengewoon lid personen die behoren tot een andere cultuurgemeenschap in België.

Art. 4. - Bij de benoeming van de gewone leden van de Academie wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de verscheidenheid van haar opdracht. Bij de verdeling van de zetels zal naar evenredigheid worden gestreefd.

Art. 5. - De Academie benoemt de gewone leden, de buitengewone leden en de binnen- en buitenlandse ereleden.
       Zij deelt de benoemingen zonder verwijl mee aan de Minister tot wiens bevoegdheid de Nederlandse Cultuur behoort. De Minister legt ze ter goedkeuring aan de Koning voor.

Art. 6. - De titel van binnenlands erelid kan ook worden toegekend aan de ontslagnemende gewone leden die erom verzochten.

Art. 7. - Tot buitenlands erelid kunnen buitenlanders worden benoemd die zich door hun geschriften op het gebied van de werkzaamheden der Academie verdienstelijk hebben gemaakt.

Art. 8. - De gewone leden vergaderen tenminste één keer per maand, behalve in de maanden augustus en september, in gesloten zitting, en tenminste één keer per jaar in openbare vergadering.
      De buitengewone leden en de ereleden kunnen aan de beraadslagingen over wetenschappelijke aangelegenheden met stemrecht deelnemen.

Art. 9. - Het bestuur der Academie is een college dat bestaat uit de voorzitter, de ondervoorzitter en de vaste secretaris, die onder de gewone leden worden verkozen.
      De Minister legt deze keuze ter goedkeuring aan de Koning voor.

Art. 10. - Het bestuur vertegenwoordigt de Academie, het beheert haar gemene belangen en doet de vereiste voorstellen daartoe aan de Minister tot wiens bevoegdheid de Nederlandse cultuur behoort.
      Het bestuur vergadert tenminste één keer per maand.

Art. 11. - De voorzitter en de ondervoorzitter worden verkozen voor één jaar. De verkiezing heeft plaats in de maand november; de verkozenen nemen het ambt waar te beginnen per 1 januari die erop volgt. Na het neerleggen van hun ambt zijn zij niet onmiddellijk herkiesbaar.

Art. 12. - De Koning benoemt de vaste secretaris uit een door de Academie voorgedragen lijst van twee bij geheime stemming en met volstrekte meerderheid van stemmen verkozen kandidaten.
      De verkiezing wordt gehouden in een zitting waar tenminste twee derde van de gewone leden aanwezig is. Is dit niet het geval, dan wordt de verkiezing gehouden op de eerstvolgende vergadering, welk ook het aantal van de aanwezige leden zij.
      De vaste secretaris treedt af op 70-jarige leeftijd en voert van dan af de titel van ere-vaste secretaris.

Art. 13. - De vaste secretaris voert uit naam van de Academie en van het bestuur de getroffen beslissingen uit; hij stelt de verslagen op van de algemene vergaderingen van de Academie en van de bestuursvergaderingen.

Art. 14. - Het vermogen van de Academie omvat:

a. door de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap toe te kennen toelagen;
b. de gelden en goederen die haar krachtens schenkingen of op een andere wijze worden toegekend.

De Academie kan daarenboven aan de regering met redenen omklede voorstellen doen om voor een bepaald doel een bijkomende tegemoetkoming te ontvangen.

Art. 15. - De kredieten voor de werking van de Academie worden jaarlijks ingeschreven op de begroting van de Culturele Zaken van de Nederlandse Cultuurgemeenschap, sector Nederlandse Cultuur.

Art. 16. - Er wordt een bestuurscommissie opgericht die samengesteld is uit de leden van het bestuur en twee gewone leden, door de Academie voor een termijn van twee jaar verkozen.
      De bestuurscommissie is belast met het regelen van alle financiële aangelegenheden en van de publikaties van de Academie. Ook beheert ze het vermogen van de Academie.

Art. 17. - Voor de legaten en fondsen waarvan de erflaters een doel hebben bepaald, stelt de Academie een ontwerp van reglement op, waarin de maatregelen voor het bereiken van dat doel worden vastgesteld.
      De Minister legt dit ontwerp ter goedkeuring aan de Koning voor.

Art. 18. - De Koning stelt het statuut vast van de vaste secretaris en van het personeel van de Academie, evenals het bedrag van de presentiegelden, de reis en verblijfkosten van de leden van de Academie.

Art. 19. - Ter bevordering en bespoediging van haar werkzaamheden, kan de Academie aan een of meer commissies opdragen zich met een of ander onderwerp van wetenschappelijke, letterkundige of huishoudelijke aard bezig te houden, hetzij bij voortduring (vaste commissies), hetzij in afzonderlijke gevallen (tijdelijke commissies, subcommissies).

Art. 20. - De Academie stelt haar huishoudelijk reglement op. De Minister tot wiens bevoegdheid de Nederlandse cultuur behoort, legt dit ter goedkeuring aan de Koning voor.

Art. 21. - De in artikel 1 van dit decreet bedoelde Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde treedt in de rechten en plichten van de bij Koninklijk besluit van 8 juli 1886 te Gent opgerichte Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde wier rechtspersoon zij verderzet.
      Behoudens toepassing van artikel 1, derde lid, van dit decreet behoudt de Academie haar zetel te Gent.

Art. 22. - Het koninklijk besluit van 8 juli 1886 houdende oprichting der Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 13 november 1951 en van 20 april 1972, wordt opgeheven.

Art. 23. - De wet van 2 augustus 1924 houdende toekenning van de rechtspersoonlijkheid aan de Koninklijke Vlaamse Academie alsook het koninklijk besluit van 12 mei 1925 houdende de maatregelen van toepassing der wet van 2 augustus 1924 blijven van toepassing op de in artikel 1 van dit decreet bedoelde Academie.
      Het huishoudelijk reglement van de Academie goedgekeurd bij koninklijk besluit van 10 december 1951 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 juni 1961 en 8 juni 1970 alsook het reglement van de bestuurscommissie blijven van kracht, uitgezonderd de bepalingen strijdig met dit decreet.

Art. 24. - Bij de inwerkingtreding van dit decreet blijven de voordien benoemde gewone leden, binnen- en buitenlandse ereleden en buitengewone leden van de Academie hun lidmaatschap behouden.
      De leden van het bestuur van de Academie en de leden van de bestuurscommissie blijven bij de inwerkingtreding van dit decreet hun functie uitoefenen tot hun mandaat is beëindigd.
      De huidige vaste secretaris mag in afwijking van artikel 12, derde lid, van dit decreet zijn functie uitoefenen tot 75-jarige leeftijd.
      De leden van het personeel van de Academie blijven met behoud van al hun rechten en plichten in dienst bij de inwerkingtreding van dit decreet.
      Kondigen dit decreet af, bevelen dat het met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
      Gegeven te Brussel, 13 februari 1980.

BOUDEWIJN
Van Koningswege:
De Minister van de Nederlandse Gemeenschap,
Mevr. H. DE BACKER-VAN OCKEN
Gezien en met 's Lands zegel gezegeld:
De Minister van justitie,
R. VAN ELSLANDE